Voorwerpen uit Nieuw-Guinea waren begin 20e eeuw weinig bekend in Europa en nog moeilijker te vinden. Tientallen levendig en kleurrijk beschilderde boombastdoeken uit het Sentanimeer-gebied, in een ongedwongen stijl die geen enkele verwantschap met een westerse kunsttraditie had, verrasten in 1933 bezoekers van een Parijse kunstgalerie. De figuren op de boombastdoeken leken op vissen, vogels, insecten, reptielen en vleermuizen en zweefden tussen mysterieuze planten. Deze dieren waren niet naturalistisch weergegeven. Surrealistische kunstenaars zagen er vrije interpretaties in en vonden dat de voorstellingen een intuïtieve en dromerige sfeer uitstraalden. Zij voelden hiermee een verwantschap.